Antisemitisme

jul - 12 2015 | By

Antisemitisme

Ik wil proberen om aan de hand van het boek Obadja (vers 1-21) wat grote lijnen te schetsen in de geschiedenis en “de geest” van het antisemitisme.

Obadja’s naam betekent Dienstknecht van God.
Hij staat op de achtergrond. Het is alsof hij opkomt uit het niets en weer verdwijnt in het niets. Bij een dienstknecht van God gaat het niet om zichzelf maar om zijn Heer. Het is deze Heer die iets te zeggen heeft over Edom.

Wie is Edom?
In Genesis 36 staat:
1 Dit zijn de nakomelingen van Esau, ook Edom geheten.
8 Esau, ofwel Edom, vestigde zich in het Seïrgebergte.
9 Dit zijn de nakomelingen van Esau, de vader van Edom, in het Seïrgebergte.

Edom is een natie die voortkwam uit een reeks goddeloze huwelijken van Esau en zijn nakomelingen (o.a. Gen.28:8,9). Iets wat God had verboden. We zien dit ook bij zijn kleinzoon, Amalek, de onwettige zoon van Elifaz.

Edom lag aan een rijke handelsroute ten oosten van de rivier de Jordaan en strekte zich uit naar het zuiden tot aan de golf van Akaba. Haar ligging op de bergen gaf Edom de controle over de handelsroutes tussen Syrië en Egypte. De stad Petra in het huidige Jordanië is daar nog een stille getuige van (foto). Deze handel bracht grote rijkdommen met zich mee. In de bergachtige streek konden ze forten bouwen en waanden ze zich veilig. Ze waren door hun ligging onafhankelijk, superieur, selfsupporting, rijk en trots. Ze waren trots en waanden zich onaantastbaar vanwege hun goede verdedigingswerken (vers 3), ze hadden sterke bondgenoten (vers 7) en ze waren intelligent (vers 8).
Je zou kunnen zeggen dat – als ze vandaag zouden leven – ze de handel en het bankwezen zouden beheersen. Obadja geeft een treffende karakterschets van de Edomieten:
– Ze hielden zich afzijdig toen Juda werd aangevallen (vers 11)
– Ze kozen partij voor de sterksten in plaats van de zwaksten (vers 11,12)
– Ze hadden leedvermaak over de verslagenheid van anderen (vers 12)
– Ze hadden niets anders dan een grote mond toen anderen in nood verkeerden (vers 14)
– Ze maakten misbruik van andermans zwakheid en buitten dat uit (vers 13)
– Ze droegen vluchtelingen over aan de vijanden voor wie ze op de vlucht waren (vers 14)
Je zou kunnen zeggen dat – als ze vandaag zouden leven – ze misbruik maakten van andermans noden, de bootvluchtelingen, de armen, de zieken, de zwakken.
Ze keken snel de andere kant op of sloegen er een slaatje uit. In verband met Edom noemt Jesaja jakhalzen, gieren, hyena’s en slangen (Jesaja 34:13, 14 en 15). Volgens oude commentaren op de Pentateuch (de 5 boeken van Mozes) waren het wolven in schaapskleren (bij een voetnoot bij Numeri 21:1), lasteraars, achterbakse lieden die van achteren aanvallen en anderen ophitsen tegen Gods volk en Zijn dienstknechten. Het waren dit soort lieden die het volk ophitsten om Jezus te kruisigen en hen te laten roepen “weg met Hem…”.

De boodschap van Obadja is dat God hiertegen in opstand komt. Dit is waarom God Jacob heeft liefgehad en Esau gehaat. Edom krijgt een koekje van eigen deeg. God zegt: ‘Vooruit! Laat ons tegen Edom ten strijde trekken!’ (vers 1).
God heeft een strijd tegen Amalek van geslacht tot geslacht, volgens Exodus 17:16.
We zien die strijd niet alleen bij Esau en zijn nakomelingen Elifaz en Amalek maar ook doorlopen in Agag (Gog), Haman (boek Esther), Hadad en Herodus (kindermoord in Bethlehem) om maar een paar namen te noemen.
Het Apocriefe boek 1 Esdras 4:45 maar ook oude Joodse commentaren 3) geven Edom en Amalek de schuld voor de vernietiging van de eerste tempel in de tijd van Nebuchadnezzar (587-586 v.Chr.). Afstammelingen van Edom hebben ook bijgedragen aan de vernietiging van de tweede tempel in 70 na Christus.

voor het vervolg van dit artikel dient u zich eerst te registreren en in te loggen….

Share Button

Geef een reactie